Zoeken

Resorbeerbare hemostatica: een praktische keuzehulp voor veilig gebruik

3 maart 2026

In vrijwel elke OK komt u situaties tegen waarin bloedstelping nét wat extra ondersteuning vraagt: diffuse oozing uit een weefselbed, een lastig bereikbare plek waar langdurige ligatuur of cauterisatie onpraktisch is, of een gebied waar u liever zo weefselsparend mogelijk werkt. Resorbeerbare hemostatica (ook wel topische hemostatica genoemd) zijn dan een hulpmiddel naast de basisprincipes van hemostase. Ze kunnen helpen om het laatste “nadenken” van een bloeding te stoppen, mits u het juiste type kiest, spaarzaam toepast en de bekende valkuilen vermijdt.

Belangrijk: resorbeerbare hemostatica zijn een aanvulling, geen vervanging van goede chirurgische techniek.

Kernpunten

  • Aanvulling bij oozing wanneer conventionele hemostase tekortschiet.

  • Hoofdtypen: gelatine, ORC, collageen en trombineproducten.

  • Kies op bloedingstype, locatie, ruimte en contaminatie.

  • Gebruik minimale hoeveelheid; overpacking verhoogt drukrisico.

  • Leg vast wat u achterlaat en waar.

Wanneer zijn resorbeerbare hemostatica zinvol als aanvulling?

Resorbeerbare hemostatica zijn bedoeld voor lokaal gebruik op een bloedend oppervlak. U ziet ze vooral terug bij capillaire en veneuze bloedingen of kleine arteriolaire bloedingen waarbij conventionele maatregelen (druk, ligatuur, clips, cauterisatie) onvoldoende effect geven, technisch lastig zijn of onwenselijk veel weefseltrauma zouden veroorzaken.

Een bruikbare manier om dit te kaderen is: “eerst de basis, dan het hulpmiddel”. De basis blijft: zicht creëren, bron identificeren, mechanische of thermische hemostase waar passend, en zo nodig druk. Een hemostaticum kan daarna helpen om het laatste restbloedverlies te beperken of om een diffuus bloedend vlak tot rust te brengen.

Wanneer het juist minder passend is:

  • Bij duidelijke spuitbloeding uit een groter arterieel vat: dan is broncontrole essentieel en is een spons of lap zelden voldoende.

  • Als u de bloeding niet kunt beoordelen doordat het veld niet schoon te krijgen is.

  • Als de anatomie zó krap is dat elk zwellend of volumineus materiaal drukschade kan geven, tenzij u het product volgens de productinformatie weer verwijdert na hemostase.

Let op: wat “conventioneel” is en wat u als eerste inzet verschilt per specialisme en lokaal protocol. Het doel van dit artikel is daarom niet om een protocol te vervangen, maar om u te helpen de onderlinge verschillen en aandachtspunten scherp te houden.

Welke typen bestaan er, en wat is het kernverschil in werking?

In de dagelijkse communicatie worden verschillende producten nog weleens op één hoop gegooid als “hemostatica”. Toch is het zinvol om ze in hoofdgroepen te verdelen, omdat de keuze gevolgen heeft voor toepassing, veiligheid en wat u wel of niet mag combineren.

Passieve (mechanische) hemostatica

Deze groep biedt vooral een matrix waarop het bloed kan stollen. Ze “brengen” niet zelf een stollingsfactor aan, maar ondersteunen de natuurlijke stolling door contactoppervlak en lokale tamponnade.

  • Gelatine (bijvoorbeeld Spongostan, Gelfoam): meestal een spons of poeder dat vocht opneemt en kan zwellen. Wie vooral wil weten hoe u binnen gelatineproducten kiest (spons versus poeder, varianten en aandachtspunten), kan straks door naar het aparte artikel over Spongostan (link volgt).

  • Oxidized regenerated cellulose (ORC) (bijvoorbeeld Surgicel): een cellulose-achtig weefsel dat droog wordt aangebracht en lokaal een omgeving creëert die hemostase ondersteunt.

  • Collageen (diverse collageenplugs of -pads): collageenmatrix die stolling kan bevorderen via plaatjesadhesie.

Actieve hemostatica

Actieve middelen leveren een stollingscomponent lokaal aan. Het bekendste voorbeeld is topische trombine. Trombine wordt in veel settings toegepast met een drager of matrix.

Sealants en combinatiematrices

Fibrinesealants en sommige “flowable” matrices combineren eigenschappen: een drager/matrix plus actieve componenten. Ze kunnen handig zijn in onregelmatige of lastig bereikbare plekken, maar hebben eigen product-specifieke waarschuwingen, vooral rond intravasculair gebruik en het risico op ongewenste embolisatie.

Praktisch gezien helpt deze indeling u bij twee vragen:

  1. Heeft u vooral een “matje/spons” nodig om oozing te dempen (passief), of moet u lokaal stolling activeren (actief/combinatie)?

  2. Is het product volumineus of zwellend (gelatine), en moet het volgens productinformatie mogelijk weer verwijderd worden in krappe anatomie?

Hoe maakt u een praktische keuze per situatie?

Een goede keuze is zelden alleen “welk merk”. Het gaat om het samenspel tussen bloedingstype, anatomie en wat u na afloop wilt achterlaten.

1) Bepaal het bloedingstype en het patroon

  • Diffuse oozing uit een weefselbed of snijvlak: passieve materialen (gelatine, ORC, collageen) worden vaak ingezet.

  • Puntbloeding uit een klein vat: eerst broncontrole; een hemostaticum kan hooguit ondersteunend zijn.

  • Spuitbloeding: primair broncontrole (ligatuur/clip/vaathechting). Een topisch materiaal alleen is hier meestal onvoldoende.

2) Kijk naar de ruimte en het drukrisico

Dit is een van de meest onderschatte aspecten. Sommige materialen absorberen vocht en zwellen. In een ruime wondholte is dat vaak geen probleem, maar nabij zenuwstructuren, in foramina, of in andere benige/gesloten compartimenten kan zelfs beperkte volumetoename relevant zijn.

Praktische vuistregels:

  • Gebruik in krappe anatomie het kleinste effectieve volume.

  • Overweeg materialen die u dun kunt aanbrengen.

  • Volg productinformatie over het al dan niet verwijderen na hemostase. Bij sommige producten wordt verwijderen in specifieke anatomische situaties expliciet genoemd.

3) Vorm en hanteerbaarheid: lap, spons, fibrillair, poeder, flowable

  • Lap/weefsel (zoals ORC): prettig op vlakke oppervlakken en in lagen; kan vaak op maat worden geknipt.

  • Spons (gelatine): vormbaar, kan in holtes passend worden gemaakt; maar kan zwellen.

  • Poeder/flowable: kan beter “in hoekjes” komen of op een onregelmatig oppervlak hechten, maar vraagt extra aandacht voor waar het terechtkomt (zeker niet intravasculair) en voor het volume dat u achterlaat.

4) Contaminatie en infectierisico

Bij (mogelijk) geïnfecteerd of gecontamineerd weefsel is voorzichtigheid geboden. In productinformatie van meerdere hemostatica wordt genoemd dat achtergelaten materiaal een focus kan vormen en dat u in zulke situaties terughoudend moet zijn of het materiaal zo nodig weer moet verwijderen.

5) Wat wilt u na afloop achterlaten?

Soms is het acceptabel dat een kleine hoeveelheid materiaal achterblijft en resorbeert. In andere situaties is het verstandig om (overtollig) materiaal weg te nemen zodra hemostase is bereikt, bijvoorbeeld om druk, foreign-body reactie of radiologische verwarring te beperken. Dit verschilt per product en per locatie.

Vergelijking in één oogopslag

Placeholder interne link: later voegen we hier een link toe naar het aparte artikel over Spongostan.

Groep Voorbeelden Sterk in Aandachtspunt dat vaak misgaat
Gelatine Spongostan, Gelfoam Vormbaar, holtes/oozing Zwelling/overpacking in krappe ruimtes
ORC Surgicel Dun, op oppervlakken, knipbaar Droog aanbrengen; radiologische verwarring
Collageen Collageen pads/plugs Hechting op weefsel, lokale stolling Product-specifieke allergie/bronmaterialen
Trombine (topisch) Trombine-oplossing/matrix Actieve stollingsondersteuning Niet intravasculair; combinatie-eisen

Deze tabel is een grove oriëntatie. Voor daadwerkelijke toepassing zijn de gebruiksinstructies (IFU) leidend, omdat waarschuwingen en combinatiemogelijkheden per product verschillen.

Veiligheidsaandachtspunten die in de praktijk het meest tellen

De details zitten vaak in “kleine” waarschuwingen die u pas mist als er iets misgaat: te veel materiaal, op de verkeerde plek, of iets achterlaten wat later als complicatie wordt geïnterpreteerd. Onderstaande punten komen in verschillende productinformatie en klinische ervaring steeds terug.

Niet intravasculair

Topische hemostatica horen op een bloedend oppervlak, niet in een bloedvat. Bij intravasculair gebruik bestaat risico op embolisatie en ernstige complicaties. Dit geldt extra voor poeders, flowables en producten die makkelijk migreren.

Overpacking en drukschade

Een valkuil is “voor de zekerheid nog een laagje”. Daarmee vergroot u het volume, de kans op zwelling en het risico op compressie van omliggende structuren. Het veiligste uitgangspunt is: zo weinig mogelijk, met zo veel mogelijk effect.

Krappe anatomie: overweeg verwijderen na hemostase

Bij gebruik nabij zenuwstructuren, in benige begrenzingen of bij tubulaire structuren kan productinformatie adviseren om het materiaal te verwijderen zodra hemostase is bereikt. Dit is niet alleen een theoretisch punt: in dergelijke gebieden kan een klein volumeeffect klinisch relevant zijn.

Radiologische interpretatie en foreign-body reactie

Achtergelaten hemostatisch materiaal kan postoperatief op beeldvorming lijken op een abces, tumorrecidief of ander probleem, of een foreign-body reactie uitlokken. Dit is een goede reden om (1) overtollig materiaal te verwijderen waar dat kan, en (2) in het verslag te documenteren wat u heeft achtergelaten en waar.

Combineren van producten: niet automatisch “beter”

Het combineren van een passieve matrix met een actieve component (zoals trombine) kan logisch lijken, maar productinformatie kan hier beperkingen aan stellen. Een bekend voorbeeld is dat bepaalde ORC-producten droog moeten worden aangebracht en niet zinvol zijn om met trombine te impregneren, omdat lokale eigenschappen de trombine-activiteit kunnen verminderen. Werk dus niet op routine, maar controleer de IFU als u combineert.

Casus uit de OK

Tijdens een laparoscopische ingreep ontstaat na preparatie een diffuus bloedend vlak in een lastig te benaderen hoek. De bron is niet één duidelijk vat, maar een oozend oppervlak dat telkens weer begint zodra u de zuiging weghaalt. U bereikt met voorzichtig coaguleren en kortdurende druk verbetering, maar het bloedverlies blijft net genoeg om het zicht en de voortgang te hinderen.

U overweegt een resorbeerbaar hemostaticum als aanvulling. Bij de keuze speelt mee dat de beschikbare ruimte beperkt is en dat u geen materiaal wilt ‘opstapelen’. U kiest daarom een vorm die dun kan worden aangebracht en die past bij een vlak bloedend oppervlak. U brengt een kleine, op maat gemaakte hoeveelheid aan en houdt gecontroleerde druk aan, waarna u het effect beoordeelt. Zodra hemostase bereikt is, verwijdert u zichtbaar overtollig materiaal dat geen bijdrage meer levert. In het operatieverslag noteert u welk type hemostaticum is gebruikt en waar materiaal is achtergelaten, zodat postoperatieve beeldvorming of heringreep minder verrassingen oplevert.

Tips en veelgemaakte fouten

  • Kies eerst op bloedingstype, pas daarna op merk.

  • Breng droog/nat aan volgens de IFU.

  • Voorkom overpacking; neem overtollig materiaal weg.

  • Wees terughoudend bij contaminatie of infectie.

  • Documenteer product, hoeveelheid en locatie in het verslag.

Afsluiting

Resorbeerbare hemostatica zijn nuttige hulpmiddelen wanneer u na conventionele hemostase nog restbloeding ziet of wanneer de locatie een andere aanpak vraagt. De kern zit niet in “welk product is het beste”, maar in passend kiezen: wat voor bloeding is het, hoeveel ruimte is er, en wat is het risico als u materiaal achterlaat? Als u die drie vragen steeds expliciet maakt, voorkomt u veel valkuilen zoals overpacking, drukschade en diagnostische verwarring op beeldvorming.

Het helpt om productinformatie standaard bij de hand te hebben en binnen het team af te spreken wie welke producten wanneer inzet. Dat maakt het gebruik consistenter en verlaagt de kans dat u op routine afwijkt van belangrijke waarschuwingen (bijvoorbeeld rond droog aanbrengen of het verwijderen in krappe anatomie). Remka kan u helpen om varianten binnen hemostatica overzichtelijk te vergelijken.

Bekijk ons assortiment in deze categorie of neem contact op voor productadvies.

Disclaimer

Deze informatie is bedoeld als algemene voorlichting voor zorgprofessionals. Volg altijd de geldende medische richtlijnen en lokale protocollen. Raadpleeg bij twijfel een arts/specialist.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen gelatine, ORC en collageen als hemostaticum?

Gelatine, ORC en collageen zijn passieve hemostatica: ze bieden een matrix waarop bloed kan stollen. Het verschil zit vooral in vorm, gedrag in vocht (zoals zwelling), toepassing (droog/nat) en product-specifieke waarschuwingen.

Wanneer moet u een hemostaticum weer verwijderen?

Dat hangt af van het product en de anatomische locatie. In krappe of benig begrensde ruimtes, of nabij zenuwstructuren, kan productinformatie adviseren om het materiaal te verwijderen na het bereiken van hemostase, om druk of migratie te voorkomen.

Mag u topische trombine combineren met een mechanisch hemostaticum?

Soms wel, maar niet automatisch. Combinaties kunnen zinvol zijn, maar sommige producten hebben specifieke instructies (bijvoorbeeld droog aanbrengen of juist niet impregneren). Raadpleeg bij combineren altijd de IFU van beide middelen.

Waarom kan hemostatisch materiaal lijken op een complicatie op CT of MRI?

Achtergelaten materiaal kan tijdelijk op beeldvorming lijken op een massa, vochtcollectie of ontstekingsreactie. Goede verslaglegging (wat is gebruikt en waar) en het verwijderen van overtollig materiaal verminderen de kans op diagnostische verwarring.

Zijn merkproducten zoals Surgicel of Spongostan onderling uitwisselbaar?

Ze vallen deels in dezelfde hoofdgroep (bijvoorbeeld passief), maar verschillen in materiaal, gebruiksinstructies en waarschuwingen. Behandel ze daarom niet als één-op-één uitwisselbaar zonder de productinformatie te controleren.

Waar vind ik meer achtergrond over Spongostan?

We werken aan een apart artikel over Spongostan (gelatine-hemostaticum), waarin we varianten en praktische keuze (spons versus poeder) overzichtelijk bespreken. Link volgt zodra het online staat.