Zoeken

Pennaalden kiezen bij GLP-1 en insuline: lengte, dikte en veilig gebruik

22 december 2025

Pennaalden lijken een klein onderdeel van de behandeling, maar ze bepalen in de praktijk vaak of injecteren soepel en comfortabel verloopt. Met de groei van injecteerbare therapieën, zoals insuline en GLP-1-receptoragonisten, ziet u steeds vaker patiënten die (tijdelijk of langdurig) meerdere injectieschema’s combineren. Dan is eenduidig advies over naaldlengte, dikte en techniek extra belangrijk: het voorkomt verwarring, vermindert prikbelasting en helpt om problemen zoals teruglekken, blauwe plekken of injecteren in verdikte plekken tijdig aan te pakken. In deze blog leest u hoe u pennaalden praktisch kiest en hoe u veilig gebruik en injectietechniek borgt in de spreekkamer.

Kernpunten

  • Start vaak met 4–5 mm: veilig subcutaan.

  • Dikte (gauge) beïnvloedt prikgevoel en injectiesnelheid.

  • Techniek en timing voorkomen lekkage en irritatie.

  • Rotatie vermindert lipohypertrofie en variatie in opname.

  • Gebruik nooit een naald opnieuw: hygiëne en comfort.

Wanneer speelt pennaaldkeuze bij GLP-1 en insuline?

Bij insulinepennen is het duidelijk: de gebruiker schroeft voor elke injectie een pennaald op de pen. Bij GLP-1-middelen verschilt het per toedieningssysteem. Er zijn pennen waarbij de patiënt een losse pennaald plaatst (vergelijkbaar met insuline), maar ook autoinjectoren of single-dose systemen met een geïntegreerde naald. In dat laatste geval is “pennaald kiezen” niet van toepassing en volgt u vooral de instructie van het betreffende hulpmiddel.

In de dagelijkse praktijk is het daarom handig om eerst twee vragen te stellen:

  1. Gebruikt de patiënt een pen met losse schroefnaalden of een systeem met geïntegreerde naald?

  2. Worden insuline en een GLP-1-injectie gecombineerd, en zo ja: met dezelfde prikplaatsen en routines?

Als losse pennaalden wél nodig zijn, kunt u de keuzeprincipes grotendeels gelijk trekken voor insuline en GLP-1: u wilt betrouwbaar subcutaan toedienen met zo min mogelijk prikpijn en zo voorspelbaar mogelijke opname. Het verschil zit meestal niet in de naald, maar in het injectievolume, de penmechaniek en de instructies (bijvoorbeeld hoelang de knop ingedrukt moet blijven en hoe lang de naald in de huid moet blijven).

Hoe kiest u de juiste naaldlengte?

Waarom lengte belangrijk is

Het doel is subcutaan injecteren: door de huid in het onderhuidse vetweefsel. Als een injectie (deels) intramusculair terechtkomt, kan dat meer pijn geven en de opname minder voorspelbaar maken. Bij insuline kan dat klinisch relevant zijn, zeker bij patiënten met wisselende glucosewaarden of bij intensieve inspanning.

4–5 mm als praktische start

In veel zorgteams is een korte pennaald (meestal 4 of 5 mm) de standaard startkeuze. De reden is eenvoudig: een kortere naald verkleint de kans op te diep prikken, terwijl subcutane toediening meestal goed haalbaar blijft, ook bij mensen met overgewicht. Voor veel patiënten is dat bovendien prettig: minder ‘dreigend’ en vaak minder prikpijn.

Wanneer is 6 mm of langer nog logisch?

Soms gebruikt een patiënt al jaren een langere naald zonder klachten. Dan is het niet altijd nodig om direct te wijzigen, zeker niet als er geen aanwijzingen zijn voor problemen zoals onverklaarde variatie, blauwe plekken, teruglekken of verdikte injectieplaatsen.

Overweeg extra aandacht (of een overstap naar korter) in deze situaties:

  • De patiënt is slank of zeer gespierd en prikt altijd loodrecht zonder huidplooi.

  • Er zijn herhaaldelijk bloedingen, veel blauwe plekken of duidelijke prikangst.

  • De patiënt ervaart teruglekken ondanks rustige injectie en juiste wachttijd.

  • U ziet of vermoedt lipohypertrofie en er is toch behoefte aan ‘makkelijk prikken’.

Eén tabel om het gesprek te structureren

Lengte Meest passend bij Waar u op let
4 mm Veel volwassenen; vaak eerste keuze Loodrecht prikken; huidplooi zo nodig
5 mm Bij voorkeur of vaardigheid Check techniek en prikplaats
6–8 mm Uitzondering of stabiele gebruiker Overweeg huidplooi, let op diepte

Deze tabel is bedoeld als gespreksstarter. De uiteindelijke keuze hangt vooral af van prikplaats, lichaamsbouw, handvaardigheid en (aangeleerde) techniek.

Wat betekent dikte (gauge) voor comfort en toedienen?

Bij pennaalden wordt dikte meestal aangeduid met gauge (G). In het algemeen geldt: hoe hoger het gauge-getal, hoe dunner de naald. In de praktijk merkt een patiënt dat vooral als verschil in prikgevoel.

Belangrijk om te benoemen in counseling:

  • Een dunnere naald kan prettiger aanvoelen, maar lost niet elk probleem op.

  • Injectiesnelheid en ‘weerstand’ hangen óók af van de penmechaniek, de injectietechniek en het volume.

  • Pijnklachten worden regelmatig veroorzaakt of verergerd door hergebruik, een onrustige hand, prikken door kleding of injecteren in een geïrriteerde/verdikte plek.

Als een patiënt “meer pijn” of “meer weerstand” meldt na een overstap, is het zinvol om eerst stap voor stap techniek en routine te controleren voordat u meerdere variabelen tegelijk verandert (bijvoorbeeld naald én dosis én prikplaats).

Veilig injecteren: techniek, rotatie en hergebruik

Prikhoek en huidplooi

Bij korte naalden prikken veel patiënten loodrecht (90°). Een huidplooi kan helpen bij zeer slanke patiënten, bij injecteren in een gebied met weinig subcutaan vet, of wanneer iemand met een langere naald werkt. Het doel is steeds hetzelfde: subcutaan toedienen zonder onnodige druk of ‘schuiven’ over de huid.

Lekkage na de injectie

Teruglekken komt vaak door techniek en timing, niet door “de verkeerde lengte” alleen. Twee praktische controles zijn meestal het meest effectief:

  • Injecteer rustig en volledig, zonder te ‘pompen’ op de knop.

  • Laat de naald na het indrukken nog even in de huid zitten volgens de instructie van de pen.

Veel patiënten hebben dit ooit geleerd, maar in de loop van de tijd verslapt de routine. Een korte her-instructie werkt dan vaak beter dan direct wisselen van materialen.

Rotatie en lipohypertrofie

Lipohypertrofie (verdikte plekken in het onderhuidse vetweefsel door herhaald injecteren) is een veelvoorkomende oorzaak van wisselende opname en ‘onverklaarde’ variatie. Patiënten prikken soms juist graag in zo’n plek omdat het minder gevoelig is. Dat is begrijpelijk, maar het kan de opname onbetrouwbaar maken.

Praktisch helpt:

  • werk met een vast rotatieschema (bijvoorbeeld per buikkwadrant of per dag);

  • vermijd injecteren in verdikte, harde of gevoelloze plekken;

  • controleer injectieplaatsen periodiek door kijken én voelen.

Hergebruik van naalden

Een naald die opnieuw gebruikt wordt, wordt sneller bot en kan makkelijker verstoppen. Dat vergroot de kans op pijn, huidirritatie en een ‘stotterende’ injectie. Bespreek hergebruik daarom expliciet, ook als de patiënt het niet uit zichzelf noemt. De boodschap is eenvoudig: elke injectie een nieuwe naald.

Veilig omgaan met gebruikte naalden

Borg dat patiënten weten hoe ze pennaalden veilig afvoeren (bijvoorbeeld via een naaldcontainer) en dat er geen losse naalden in afvalzakken of badkamerbakjes belanden. Dit is belangrijk voor huisgenoten, thuiszorg en afvalverwerking.

Praktisch stappenplan voor een passend advies

Wanneer u in korte tijd tot een passende keuze wilt komen, helpt dit stappenplan:

  1. Inventariseer het systeem: losse pennaald of geïntegreerde naald.

  2. Vraag naar de routine: prikplaats, rotatie, wachttijd, hergebruik.

  3. Inspecteer (en palpeer) injectieplaatsen bij klachten of variatie.

  4. Kies lengte primair op veiligheid (subcutaan), dan op voorkeur.

  5. Kies dikte op comfort en gebruiksgemak, niet als ‘wonderoplossing’.

  6. Pas één ding tegelijk aan en plan een korte follow-up.

Als u een overzicht wilt van gangbare opties en varianten, kunt u het aanbod pennaalden bekijken via: https://www.remka.nl/injectiematerialen/naalden/pennaalden/

Praktijkcase

Een vrouw van 46 jaar gebruikt al jaren basale insuline met een pen en start daarnaast met een GLP-1-injectie via een multidose pen waarvoor ze ook losse pennaalden nodig heeft. Ze meldt dat injecteren “ineens vaker prikt” en dat er soms een druppel vloeistof op de huid achterblijft. In de anamnese blijkt dat ze haar naalden hergebruikt “tot ze op zijn” en dat ze bijna altijd op dezelfde plek in de buik prikt omdat dat het minst vervelend voelt. Bij inspectie ziet u enkele verdikte plekken.

U kiest een rustige, praktische aanpak: u bespreekt waarom hergebruik pijn kan verergeren en stelt voor om per injectie een nieuwe naald te gebruiken. Daarna geeft u een eenvoudig rotatieschema mee en u spreekt af om niet meer in de verdikte plekken te injecteren. Tot slot bespreekt u de wachttijd na het indrukken van de knop, volgens de instructie van de pen. Na twee weken geeft zij aan dat de prikpijn afgenomen is en dat lekkage vrijwel verdwenen is. U legt vast dat u de injectieplaatsen bij het volgende consult opnieuw controleert.

Tips en veelgemaakte fouten

  • Meerdere aanpassingen tegelijk (naald, dosis, plek) zonder evaluatie.

  • Injecteren in verdikte plekken omdat het minder gevoelig is.

  • Hergebruik niet uitvragen, terwijl pijnklachten blijven bestaan.

  • Te snel prikken en de naald direct weer verwijderen.

  • Rotatie wel uitleggen, maar niet concreet maken met een schema.

Conclusie

Een passende pennaald kiezen is vooral een combinatie van veilig subcutaan toedienen, comfortabel gebruik en een solide injectieroutine. In veel situaties is een korte naald (vaak 4–5 mm) een praktische start, omdat de kans op te diep injecteren kleiner is en patiënten dit meestal prettig vinden. De dikte (gauge) kan het prikgevoel beïnvloeden, maar klachten zoals lekkage, blauwe plekken of wisselende opname hebben vaak een duidelijke oorzaak in techniek, hergebruik of injecteren in lipohypertrofie. Door injectieplaatsen te controleren, rotatie concreet te maken en één aanpassing tegelijk te evalueren, voorkomt u onnodige trial-and-error. Bekijk ons assortiment in deze categorie of neem contact op voor productadvies.

Disclaimer

Deze informatie is bedoeld als algemene voorlichting voor zorgprofessionals. Volg altijd de geldende medische richtlijnen en lokale protocollen. Raadpleeg bij twijfel een arts/specialist.

FAQ

1) Is 4 mm voor iedereen geschikt?

Voor veel volwassenen is 4 mm een geschikte start, omdat subcutaan injecteren meestal goed lukt en de kans op te diep prikken kleiner is. Bij zeer slanke patiënten kan een huidplooi alsnog nodig zijn.

2) Wanneer let u extra op lipohypertrofie?

Bij wisselende waarden zonder duidelijke verklaring, bij herhaald prikken op dezelfde plek, of als de patiënt voorkeur heeft voor een ‘minder gevoelige’ plek. Controleer door kijken én voelen.

3) Helpt een dunnere naald altijd tegen pijn?

Soms wel, maar pijn wordt vaak vooral beïnvloed door hergebruik, techniek en de injectieplaats. Start daarom met het controleren van de routine en pas daarna de naaldkeuze aan.

4) Wat doet u bij teruglekken na injecteren?

Controleer of de patiënt rustig inspuit en de naald nog even laat zitten volgens de instructie van de pen. Kijk ook naar hergebruik en prikplaats.

5) Moet u pennaalden anders kiezen bij GLP-1 dan bij insuline?

Als een GLP-1-pen losse naalden gebruikt, gelden dezelfde basisprincipes voor subcutaan injecteren. Bij systemen met geïntegreerde naald volgt u de specifieke gebruiksinstructie.